Advertising ▲
|
Results Summary
translations
synonyms
semantic net
anagrams
crosswords
example
Ebay
catalog
|
afstrepen, doorhalen, doorstrepen, schrappen, uitschrijven, wegstrepen
blok aan wiel, cijfer, doelpunt, goal, grief, partituur, punt, puntenaantal, puntental, puntentotaal, schoolcijfer, schotse whisky, score, stand, streep, twintig, wrok
corrigeren, de stand bijhouden, doelpunten, een cijfer geven, een doelpunt maken, graveren, griffen, ingraveren, inschieten, instrumenteren, keep maken, krassen, nakijken, orkestreren, scoren, turven, verleiden, veroveren, versieren
aambei, aambeien, bergen, een heleboel, heleboel, hopen, horde, massa, massa's, meute, speen, stapels, tientallen, veel
afstrepen, deleten, doorhalen, doorstrepen, gommen, gummen, schrappen, stuffen, uitgommen, uitgummen, uitschrijven, uitvegen, uitvlakken, uitwissen, wegstrepen, wissen
enlever qqch à qqch (fr)[Classe...]
tracer une (ou des) ligne(s) (fr)[Classe]
annuler ou supprimer (fr)[Classe]
(erasure; crossing-out; deletion) — (doorhaling)[Thème]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
annuler ou supprimer (fr)[Classe]
tracer une ligne pour annuler (fr)[Classe]
factotum[Domaine]
IntentionalProcess[Domaine]
score
specialist book — vakboek[Classe]
(score) — (partituur)[Thème]
score — partituur[ClasseHyper.]
(score) — (partituur)[termes liés]
score (n.)
évaluation (fr)[Classe...]
gagner au jeu (fr)[Thème]
évaluation prenant la forme d'une note (fr)[Classe]
gagner au jeu (fr)[termes liés]
score (n.)
psychology[Domaine]
SexualReproduction[Domaine]
success — succes, welslagen - argue, get, persuade, prevail on, talk round, upon, win over — bepraten, bewegen, bewerken, meekrijgen, ompraten, omturnen, omverpraten, overreden, platpraten[Hyper.]
make, score, seduce — verleiden, veroveren, versieren - conquest, seduction - score, sexual conquest - ladies' man, lady's man, lady killer, lady-killer, seducer — lady-killer, verleider, versierder[Dérivé]
seduce - bang, bed, be intimate, bonk, do it, eff, engage in coitus, fuck, get it on, get laid, go to bed with, have a go at it, have intercourse, have it away, have it off, have sex, have sexual intercourse, hump, jazz, know, lie with, love, make love, make out, roll in the hay, screw, sleep together, sleep with — aanschroeven, afschroeven, bedvogelen, bekennen, beminnen, bibberen, bijslapen, bonken, bonzen, cohabiteren, coïteren, de geslachtsdaad verrichten, dreutelen, emmeren, figuurzagen, flensen, fleppen, fokken, geslachtsgemeenschap hebben, ketsen, kezen, kieren, knarren, liefhebben, minnen, naar bed gaan met, nemen, neuken, pakken, palen, pezen, poepen, pompen, rammen, rampetampen, rollebollen, schroeven, seksen, slapen, slapen met, soppen, uitschroeven, vastschroeven, vogelen, vozen, vrijen, wippen[Domaine]
score (n.)
factotum[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute[Domaine]
attainment - advance, gain, gain ground, get ahead, make headway, pull ahead, win — inlopen, terrein winnen, veld winnen, voorkomen, vooruitkomen, winnen[Hyper.]
hit — treffer - score - run, tally - scorer — doelpuntenmaker, scoren - score — doelpunt, goal, puntenaantal, puntental, puntentotaal, score[Dérivé]
success — succes, welslagen[Hyper.]
hit, rack up, score, tally — doelpunten, inschieten, scoren[Dérivé]
score (n.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
appraisal, assessment — beoordeling, waardering - assort, class, classify, divide, separate, sort, sort out, subsume — beschouwen als, classificeren, clusteren, groeperen, indelen, klasseren, onderbrengen, plaatsen in, rangschikken, rubriceren, sorteren, uitspitten, uitzoeken - estimate, evaluate, judge, pass judgment — aankijken, bekijken, beoordelen, berekenen, beschouwen, bezien, inschatten, oordelen, schatten, taxeren, zien - accomplish, achieve, attain, reach — bereiken, komen, toekomen[Hyper.]
rate, value — geschat worden, schatten - appraise, assess, evaluate, measure, valuate, value — evalueren, koersen, meten, nabespreken, ramen, schatten, waarderen - grading, marking, scoring - gradation, graduation — gradatie, het geven van cijfers, het graderen, rangschikken - grade, mark, score — cijfer, punt - gradation, step — geleidelijke overgang, gradatie, schakering, stap, tint - classifying screen, grader, grading screen, sizing screen — beoordeler, sorteerder, sorteermachine - scorekeeper, scorer — puntenteller - order, ordering - grading, scaling - order, order of magnitude - place, position - grade, level, tier — niveau, peil - rank[Dérivé]
evaluation, rating, valuation — berekening, evaluatie, inschatting, kijkcijfer, taxatieprijs[Hyper.]
grade — categoriseren, graderen, rangschikken, sorteren - mark, score — corrigeren, een cijfer geven, nakijken - order, place, range, rank, rate — inschalen, plaatsen - fi notat cu (ro)[Dérivé]
score (n.)
score (n.)
music[Domaine]
ContentBearingObject[Domaine]
composition, musical composition, musical work, opus, piece, piece of music — compositie, muziekje, muziekstuk, muziekwerk, op., opus, stuk, toonzetting - compose, write — componeren, samenstellen, toonzetten[Hyper.]
musical score, score — partituur[Dérivé]
music — muziek[Domaine]
sheet music — bladmuziek, muziek[Hyper.]
score[Dérivé]
score (n.)
ressentiment (fr)[Classe]
factotum[Domaine]
Anger[Domaine]
enmity, hostility, ill will — haat, haatgevoel, haatgevoelens, vijandschap - hate, hatred — haat, haatgevoel, haatgevoelens, hekel, vijandschap[Hyper.]
resent - aggravate, annoy, gall, irk, nettle, provoke, put someone's back up — ergeren, iemand irriteren, prikkelen, tarten, tergen - rancorous - bitter — bitter - hostile — afwijzend, vijandig - antagonistic, distant, enemy, inimical, unfriendly — afstandelijk, van de vijand, vijandelijk, vijandig - grievance, grudge, score — grief, wrok[Dérivé]
bitterness, feud, gall, grudge, rancor, rancour, resentment — ontstemming, rancune, vete, wrok - enmity, hostility, ill will — haat, haatgevoel, haatgevoelens, vijandschap[Hyper.]
grudge, stew[Dérivé]
score (n.)
factotum[Domaine]
Collection[Domaine]
score (n.)
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum[Domaine]
hasPurpose[Domaine]
rational motive[Hyper.]
conclude, reason, reason out — afleiden, afleidend, besluiten, concluderen, knobbelen, opmaken, uitkienen, uitknobbelen, uitmikken - base, establish, found, ground, underpin — afgaan, baseren, fixeren, onderbouwen, uitgaan, vertrekken[Dérivé]
factotum[Domaine]
hasPurpose[Domaine]
score (n.)
mathematics[Domaine]
Number[Domaine]
definite quantity - advance, gain, gain ground, get ahead, make headway, pull ahead, win — inlopen, terrein winnen, veld winnen, voorkomen, vooruitkomen, winnen[Hyper.]
keep down, number - list, number — een lijst maken van, nummeren - count, enumerate, number, numerate — rekenen, tellen - number - add up, amount, amount to, come, number, total — bedragen, komen op - numeral, numeric, numerical — numeriek - hit — treffer - score - run, tally - scorer — doelpuntenmaker, scoren - score — doelpunt, goal, puntenaantal, puntental, puntentotaal, score[Dérivé]
score (n.)
depression, impression, imprint, print — afdruk, afdruksel, indruk - notch — inkepen, inkerven, inkrassen, kartelen, kerven, krassen - mark, nock, score — keep maken[Hyper.]
dent, indent — blutsen, deuken, indeuken - scrape, scratch, scratch up — afschrapen, bekrassen, klauwen, krabbelen, krabben, krauwen, scheuken, schobben, schrabben, schrapen, schrappen, schurken, uitkrabben, uitschrapen - prick, prickle — prikken - incise — inkepen, insnijden - slit — snijden - slice, slit — doorknippen, doorsnijden, doorsteken, openscheuren, snijden - incisive - crisscross, cross, mark — kruisje - mark, print — spoor - scorer — doelpuntenmaker - score, scotch — blok aan wiel, schotse whisky, streep[Dérivé]
dent, incision, prick, scratch, slit — klauw, krab, krauw, pik, prik, schrab, schram[Hyper.]
mark, nock, score — keep maken - scotch[Dérivé]
score (n.)
economy[Domaine]
Loan[Domaine]
debt due by us, debt owed by us, liabilities, passive debt — passief, passiva - financial condition[Hyper.]
debt — schuld[Hyper.]
score (n.)
Editeurs (fr)[Domaine]
Domaines (fr)[Domaine]
commission de la jeunesse et des sports (fr)[Domaine]
Sport (fr)[Domaine]
score (n.)
Editeurs (fr)[Domaine]
Domaines (fr)[Domaine]
commission de l'économie et des finances (fr)[Domaine]
Finances (fr)[Domaine]
score (v.)
composition musicale (fr)[DomaineCollocation]
score (v. tr.)
échouer - réussir (fr)[ClasseOppos.]
réussir (fr)[Classe]
réussir (fr)[Classe]
score (v. tr.)
dessiner (fr)[Classe]
produire une image (fr)[Classe]
écrire (fr)[Classe]
(engraving; inscription; incising) — (gravure; gravering)[Thème]
inscription (fr)[Thème]
graver (fr)[Classe]
inscrire (fr)[Classe]
score (v. tr.)
factotum[Domaine]
IntentionalPsychologicalProcess[Domaine]
money[Domaine]
measure[Domaine]
SocialRole[Domaine]
estimate, evaluate, judge, pass judgment — aankijken, bekijken, beoordelen, berekenen, beschouwen, bezien, inschatten, oordelen, schatten, taxeren, zien - quantification - critic — beoordelaar, censor, criticus, recensent - official — officiaal[Hyper.]
amount, measure, quantity — gehalte, graad, grootheid, hoeveelheid, kwantiteit, maat, maatstelsel, mate, meting - evaluation, rating — evaluatie, kijkcijfer - measure, measurement, measuring, mensuration — experiment, het meten, maatstelsel, meting, onderzoeking, probeersel, proef, proefneming, test, toets, toetssteen - measure, measuring rod, measuring stick — maat, maatlepel - value, worth — waarde - appraisal, assessment — beoordeling, waardering - evaluation, rating, valuation — berekening, evaluatie, inschatting, kijkcijfer, taxatieprijs - appraiser, valuator — taxateur - valuer — taxateur - appraiser, authenticator - evaluator, judge — jurylid, rechter, richter - assessor, tax assessor — assessor, beoordelaar, bijzitter, schade-expert - economic value, value — handelswaarde - appraising, evaluative — schattings, taxatie- - assessable - grade — categoriseren, graderen, rangschikken, sorteren - grade, mark, score — corrigeren, een cijfer geven, nakijken - grade, order, place, range, rank, rate — inschalen, plaatsen - gradate - gradational, gradatory, graduated - score[Dérivé]
assess — beoordelen, schatten[Domaine]
grading, marking, scoring - gradation, graduation — gradatie, het geven van cijfers, het graderen, rangschikken - grade, mark, score — cijfer, punt - classifying screen, grader, grading screen, sizing screen — beoordeler, sorteerder, sorteermachine - scorekeeper, scorer — puntenteller[Dérivé]
score (v. tr.)
transcrire, fixer sur support matériel (fr)[Classe]
factotum[Domaine]
Writing[Domaine]
preserve, save, save up — bewaren, openhouden, openlaten, ophouden, opsparen, saven, sparen, vrijhouden, vrijlaten, wegschrijven - writing implement - marking - printed symbol, written symbol — karakter, schriftteken[Hyper.]
recorder, recording equipment, recording machine — recorder - entry — post - record — bewijsstuk - recorder, record-keeper, registrar — arts-assistent, assistent-arts, griffier - record — bescheid, bescheiden, stukken, verslag - mark — aangeven, aanwijzen, bevlekken, bevlekt worden, kenmerken, markeren, merken - mark — aangeven, aanwijzen - mark, score — de stand bijhouden, turven - crisscross — aankruisen - mark, nock, score — keep maken - crisscross - cross — dwarsstreepjes aanbrengen - crisscross[Dérivé]
enter, put down, record, register — een opname maken, opnemen, optekenen, registreren, vastleggen[Hyper.]
marker — boei, kilometerpaal, kluister, tekenpen - crisscross, cross, mark — kruisje - blijk, teken[Dérivé]
score (v. tr.)
aller en avant (fr)[Classe]
toenemen[Classe]
concourir simultanément avec d'autres personnes (fr)[Classe]
sport[Domaine]
Contest[Domaine]
achievement, effort, exploit, feat, performance — bravourestuk, bravourstuk, daad, heldendaad, huzarenstukje, krachttoer, prestatie, stunt, stuntwerk, tour de force, verwezenlijking, wapenfeit - success — succes, welslagen - score - participant, player — speler - number — getal[Hyper.]
win — ritzege - gainer - hit, rack up, score, tally — doelpunten, inschieten, scoren - hit — inslaan, slaan, uithalen - chalk up, tally - run - competition, contention, rivalry — competitie, concours, concurrentie, concurrentiestrijd, mededinging, prijsvraag, rivaliteit, wedijver - competitive, competitory[Dérivé]
challenger, competition, competitor, contender, instigator, rival — aanstoker, aanstookster, betwister, concurrent, concurrentie, deelnemer, mededinger, medeminnaar, ophitser, provocateur, provocateuse, rivaal, rivale, uitdager - rival (fr)[GenV+comp]
become, fall, get, go, grow, make — gaan, geraken, komen, raken, treden, vallen[Analogie]
baseball, baseball game, rounders, softball — honkbal, honkballen, slagbal, softbal[Domaine]
hit — treffer - score - run, tally - scorer — doelpuntenmaker, scoren - doelpunt, goal, puntenaantal, puntental, puntentotaal, score[Dérivé]
score (v. tr.)
factotum[Domaine]
SubjectiveAssessmentAttribute[Domaine]
money[Domaine]
measure[Domaine]
bring home the bacon, come through, deliver the goods, hold up one's end, make it, succeed, win — aanslaan, een belofte nakomen, gaan, gelukken, inslaan, lukken, slagen, succes hebben - evaluation, rating, valuation — berekening, evaluatie, inschatting, kijkcijfer, taxatieprijs[Hyper.]
accomplishment, achievement — prestatie - attainment - achiever, succeeder, success, winner — boffer, bofkont, bollebof, gelukkige, geluksvogel, gelukzak, goudvink, mazzelaar, mazzelkont - accomplishable, achievable, attainable, doable, feasible, manageable, performable, practicable, practical, realizable, viable, workable — doenlijk, haalbaar, haalbare, uitvoerbaar - attainable, come-at-able - grade — categoriseren, graderen, rangschikken, sorteren - grade, mark, score — corrigeren, een cijfer geven, nakijken - grade, order, place, range, rank, rate — inschalen, plaatsen - score[Dérivé]
score (v. tr.)
factotum[Domaine]
represents[Domaine]
incise — inkepen, insnijden - marking - indicant, indication — aanduiding, aanwijzing, indicatie, indicie, symptoom, vingerwijzing - faller, feller, logger, lumberjack, lumberman — houthakker - dent, incision, prick, scratch, slit — klauw, krab, krauw, pik, prik, schrab, schram - blemish, deface, disfigure[Hyper.]
hack, nick, notch, snick — hak, inkeping, kartel, keep, kerf - notch — kartel, kerf - notch - crisscross — aankruisen - mark, score — de stand bijhouden, turven - mark, nock, score — keep maken - crisscross - cross — dwarsstreepjes aanbrengen - crisscross - mark — aangeven, aanwijzen, bevlekken, bevlekt worden, kenmerken, markeren, merken - mark — aangeven, aanwijzen - scotch - mark, scar, scrape, scratch — gekras, geschraap, kras - indentation, pitting, roughness - fossa, pit - pock — pok - cicatrice, cicatrix, scar — litteken, wondteken[Dérivé]
notch — inkepen, inkerven, inkrassen, kartelen, kerven, krassen[Hyper.]
crisscross, cross, mark — kruisje - print — spoor - scorer — doelpuntenmaker - score, scotch — blok aan wiel, schotse whisky, streep[Dérivé]
score (v. tr.)
homme qui accumule les succès amoureux (fr)[Classe]
lady-killer; seducer; ladies' man; lady killer — lady-killer; versierder; verleider[ClasseHyper.]
racine ILC (fr)[Domaine]
racine SUMO (fr)[Domaine]
factotum[Domaine]
Screw[Domaine]
SexualReproduction[Domaine]
cause, get, have, induce, make, stimulate — begeesteren, enthousiasmeren, leiden, motiveren, opwarmen, teweegbrengen, veroorzaken - success — succes, welslagen - conquest, seduction - debauchee, libertine, rounder — zedenbederver - attract, bait, entice, invite, lure, lure away, tempt — aanlokken, aantrekken, bekoren, lokken, meelokken, noden, tronen, uitnodigen, verleiden, verlekkeren, verlokken, verzoeken - copulate, couple, mate, pair — copuleren, paren, springen[Hyper.]
persuasion, suasion — overreding, persuasie - inducer, persuader — overreder - persuasive - convincible, persuadable, persuasible, suasible - make, score, seduce — verleiden, veroveren, versieren - seduction - seducer - ass, fuck, fucking, nookie, nooky, piece of ass, piece of tail, roll in the hay, screw, screwing, shag, shtup — potje neuken - love, love life, lovemaking, making love, sexual love — geflikflooi, getortel, gevrij, liefdespel, liefdesspel, vrijpartij - bed — legerstede, nest, sponde - erotic love, love, sexual love — liefde - lover — minnaar, minnares - fucker[Dérivé]
séducteur (fr)[CeQuiEst~]
make out, neck — worgen, wurgen - archaicism, archaism — archaïsme[Domaine]
psychology[Domaine]
SexualReproduction[Domaine]
conquest, seduction - score, sexual conquest - ladies' man, lady's man, lady killer, lady-killer, seducer — lady-killer, verleider, versierder[Dérivé]
seduce - bang, bed, be intimate, bonk, do it, eff, engage in coitus, fuck, get it on, get laid, go to bed with, have a go at it, have intercourse, have it away, have it off, have sex, have sexual intercourse, hump, jazz, know, lie with, love, make love, make out, roll in the hay, screw, sleep together, sleep with — aanschroeven, afschroeven, bedvogelen, bekennen, beminnen, bibberen, bijslapen, bonken, bonzen, cohabiteren, coïteren, de geslachtsdaad verrichten, dreutelen, emmeren, figuurzagen, flensen, fleppen, fokken, geslachtsgemeenschap hebben, ketsen, kezen, kieren, knarren, liefhebben, minnen, naar bed gaan met, nemen, neuken, pakken, palen, pezen, poepen, pompen, rammen, rampetampen, rollebollen, schroeven, seksen, slapen, slapen met, soppen, uitschroeven, vastschroeven, vogelen, vozen, vrijen, wippen[Domaine]
score (v. tr.)
music[Domaine]
Music[Domaine]
create, do, make, run up — doen, in elkaar zetten, laten, maken, produceren, vervaardigen - sheet music — bladmuziek, muziek - auditory communication - art, fine art — kunstproduct, kunstprodukt, kunstuiting, kunstwerk, schone kunst[Hyper.]
composing, composition — het componeren - composition, musical composition, musical work, opus, piece, piece of music — compositie, muziekje, muziekstuk, muziekwerk, op., opus, stuk, toonzetting - composer — componist, componiste, komponist, komponiste, samensteller, toondichter, toondichteres, toonkunstenaar, toonkunstenares, toonzetter - score - musician — componist, musicienne, musicus, muziekbeoefenaar, muzikant, muzikante, toondichter, toonkunstenaar, toonzetter - instrumentalist, musician, player — componist, instrumentalist, instrumentaliste, instrumentist, musicienne, musiciënne, musicus, muziekbeoefenaar, muzikant, muzikante, orkestlid, speler, toondichter, toonkunstenaar, toonzetter[Dérivé]
music — muziek[Domaine]
compose, write — componeren, samenstellen, toonzetten[Hyper.]
musical score, score — partituur[Dérivé]
music — muziek[Domaine]
score (v. tr.)
haut (fr)[Caract.]
scores (n.)
eBay |
The Right Stuff / North and South scores by Bill Conti (5.99 USD) Commercial use of this term | 9 Piano Conductor Scores, Gershwin, Debussy,Bach,Handel (9.0 USD) Commercial use of this term |
4 Orchestra Conductor Scores, Mozart Comps., very good (9.0 USD) Commercial use of this term | Scores Girls Calendar Strippers 2006 Vivid dvd (9.99 USD) Commercial use of this term |
03-04 BAP HE SHOOTS HE SCORES MILAN HEJDUK DUAL JERSEY (9.99 USD) Commercial use of this term |