Advertising ▲
|
Results Summary
translations
synonyms
semantic net
anagrams
crosswords
example
Ebay
catalog
|
aandoen, aandraaien, aanknippen, aanzetten, afbreken, inschakelen, ontgrendelen, ontleden, ontsluiten, ontvouwen, openbreken, opendoen, open doen, openen, opengaan, openknippen, openmaken, opensnijden, openstellen, openvouwen, openzetten, uitpakken, uitvouwen
ontgrendelen, ontsluiten, opendoen, opendraaien, openen, openknippen, openmaken, openschuiven, openslaan, opensnijden, openstellen, openzetten
↘ ouverture, ouvrant, rouvrir ≠ débrancher, déconnecter, éteindre, fermer, fermer à clé, fermer à clef, se fermer
loskomen, ontdooien, ontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, openbreken, opendoen, open doen, openen, opengaan, openmaken, openschieten, openvliegen, openvouwen, openzetten, uitvouwen
factotum (en)[Domaine]
Demonstrating (en)[Domaine]
étaler, exhiber, faire voir, montrer — etaleren, laten zien, pronken, tonen, vertonen[Hyper.]
production (en)[Dérivé]
exhiber, présenter[Hyper.]
ouvrir
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
Maneuver (en)[Domaine]
sociology (en)[Domaine]
Declaring (en)[Domaine]
finishes (en)[Domaine]
faire démarrer — opstarten, starten - appareil, cérémonial, cérémonie, ensemble des principes qui règlent les cérémonies. — ceremonie, ceremonieel, plechtigheid - achever, finir, mettre fin à, terminer — afsluiten, beëindigen, besluiten, eindigen, ophouden, stoppen, termineren[Hyper.]
commencement, début, départ — aanzet - inauguration — doop, inauguratie, inwijding, openingsplechtigheid - commencement, début, départ — start - commencement, début — aanvang, aanvangstijd, begin, beginperiode, opmaat - ouvrir - ouvrir — openen - ouvrir — openstellen - inaugural, préliminaire — inleidend, openend - accomplissement, achèvement, clôture, enroulement — afronding, afwerking, completering, voleinding, voltooiing - clôture, fermeture — buitengebruikstelling, opheffing, sluiting - clôture, conclusion — besluit, finale, slot, slotstuk[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
BeginFn (en)[Domaine]
initiative — aanstichting, initiatief - ouvre-... — opener - commencement[Dérivé]
clôturer — besluiten[Ant.]
ouvrir
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
causes (en)[Domaine]
apporter, approvisionner, fournir, procurer — aanbrengen, aanvoeren, bezorgen, fourneren, leveren, onderhouden, schaffen, toereiken, toevoeren, verschaffen, verstrekken, voorzien, voorzien van - chance, occasion, possibilité — aanleiding, gelegenheid, kans, mogelijkheid, ruimte - surgir, survenir — aanbieden, ontstaan[Hyper.]
défaire, ouvrir — ontsluiten, openbreken, openen - s'ouvrir - occasion, opportunité[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
ouvrir
action d'ouvrir — opening; ontsluiting[ClasseHyper.]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Transfer (en)[Domaine]
Closing (en)[Domaine]
changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - geste, mouvement — beweging, mechaniek - changement d'intégrité - outil — handgereedschap - être, être humain, homme, humain, humaine, individu, mortail, mortel, mortelle, personne physique, portail mobile, portail nomade, portail sans fil — eenling, enkeling, figuur, iemand, individu, mens, particulier, persoon, sterveling, stervelinge, zelfstandige, ziel - changer, modifier — overgaan[Hyper.]
zijpad - changement, coup de théâtre, tournants — kentering, ommekeer, ommezwaai, omslag, revolutie, wending - ouvrir — ontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, opendoen, open doen, openen, openmaken, openvouwen, openzetten, uitvouwen - ouvrir, s'ouvrir — ontsluiten, open doen, openen, opengaan - déplier, étendre — ontvouwen, openschuiven, openslaan, openvouwen, opslaan, spreiden, uitleggen, uitslaan, uitspreiden, uitvouwen - dépaqueter, ouvrir — openmaken, uitpakken - délier, dénouer, détacher — afbinden, losbinden, losknopen, ontstrikken - défaire — losmaken - détacher — losmaken - ouverture — opening - afdamming - volet — blind, luik, raamluik, rolluik, schuifdeksel, vensterluik - obturateur — blind, lensafsluiter, luik, raamluik, rolluik, sluiter, vensterluik[Dérivé]
devenir — verkleuren, worden - changer, devenir, se changer, se transformer — draaien, omgaan, worden[Domaine]
fermeture — sluiting - fermer, se fermer — dichtgaan, sluiten[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
changer, modifier — overgaan[Hyper.]
inauguration, ouverture — ontsluiting, opening - açılma (tr) - ouvre-boîtes — opener - undoer, unfastener, untier (en)[Dérivé]
ouvrir, s'ouvrir — ontsluiten, open doen, openen, opengaan[Cause]
enfermer, mettre dehors — afsluiten, dichtdoen, dichten, dichtmaken, toedoen[Ant.]
ouvrir
commencer, faire avoir un commencement. — aanheffen; aanvangen; beginnen[Classe]
jouer à un jeu[DomaineCollocation]
parier[DomaineCollocation]
ouvrir (v. intr.)
[cartes]
[V]
graine — (zaadkorrel; zaadje)[Thème]
abcès — (ettergezwel; etterzak; verzwering; ulcus; zweer)[Thème]
s'ouvrir — opengaan; zich openen[ClasseHyper.]
fleur — (bloemenhandelaar; bloemenhandelaarster; bloemist; bloemiste), (bloem; bloemetje; bloempje; blom; bloesem)[termes liés]
graine — (zaadkorrel; zaadje)[termes liés]
abcès[DomaineCollocation]
ouvrir (v. pron.)
[se+V]
se confier à qqn[Classe]
ouvrir (v. pron.)
[se+V • se+V à+comp]
exprimer (la pensée, un information) par la parole — zeggen[Classe...]
raconter — (vertellen), (verteller; vertelster; duimzuiger; vertellen; commentator)[Thème]
raconter — vertellen[Classe]
ouvrir (v. pron.)
[se+V de+comp]
fermer - ouvrir[ClasseOppos.]
ouvrir (v. tr.)
[V+comp]
rendre perceptible à la vue[Classe]
faire qqch (pour l'homme) (prop. courante)[ClasseParExt...]
théâtre — (schouwburg; theater; toneelkunst; drama; toneel; komedie)[Thème]
présider — (presideren; voorzitten)[Thème]
assemblée — (assemblée; vergadering)[Thème]
produire un spectacle[DomainRegistre]
commencer, faire avoir un commencement. — aanheffen; aanvangen; beginnen[Classe]
donner en spectacle[ClasseParExt.]
théâtre — (schouwburg; theater; toneelkunst; drama; toneel; komedie)[termes liés]
président[DomaineCollocation]
assemblée, réunion[DomaineCollocation]
magasin, boutique[DomaineCollocation]
ouvrir (v. tr.)
[V+comp]
compte bancaire[Thème]
créer, constituer (hors transformation) — kreëren; scheppen; creëren; in het leven roepen[Classe]
comptabilité[DomaineCollocation]
compte bancaire[DomaineCollocation]
ouvrir (v. tr.)
[figuré , finances]
[V+comp]
interrompre dans la durée l'existence de qqch[Classe]
actionner un circuit électrique[DomainRegistre]
empêcher volontairement le fonctionnement de qqch[DomaineCollocation]
ouvrir (v. tr.)
[électricité]
[V+comp]
ouvrir (v. tr.)
[informatique]
jeu se jouant sur un plateau constitué de cases[Classe]
jeu d'échecs[termes liés]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Maneuver (en)[Domaine]
commencement, début, départ — aanzet - jeux de plateau[Hyper.]
coup — manoeuvre, zet - tour — schaft, schafttijd, schoft - ouvrir - ouvrir — openen - ouvrir — openstellen - inaugural, préliminaire — inleidend, openend[Dérivé]
déposer une résolution - jouer, jouer à, pratiquer — het opnemen tegen, meespelen, spelen, sporten, uitkomen, verspelen[Domaine]
Game (en)[Domaine]
aller, jouer — gaan[Hyper.]
initiative — aanstichting, initiatief[Dérivé]
échec, échecs, jeu d'échecs — schaak, schaakspel, schaakspelen[Domaine]
ouvrir (verbe)
factotum (en)[Domaine]
Transfer (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - changement d'intégrité - changer, modifier — overgaan[Hyper.]
zijpad - changement, coup de théâtre, tournants — kentering, ommekeer, ommezwaai, omslag, revolutie, wending - ouvrir — ontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, opendoen, open doen, openen, openmaken, openvouwen, openzetten, uitvouwen - ouvrir, s'ouvrir — ontsluiten, open doen, openen, opengaan - déplier, étendre — ontvouwen, openschuiven, openslaan, openvouwen, opslaan, spreiden, uitleggen, uitslaan, uitspreiden, uitvouwen - fermeture — sluiting - obturateur — blind, lensafsluiter, luik, raamluik, rolluik, sluiter, vensterluik[Dérivé]
devenir — verkleuren, worden - changer, devenir, se changer, se transformer — draaien, omgaan, worden - enfermer, mettre dehors — afsluiten, dichtdoen, dichten, dichtmaken, toedoen[Domaine]
changer, modifier — overgaan[Hyper.]
ouverture — opening[Dérivé]
ouvrir (verbe)
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
industry (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
enclencher, engager, engrenner, s'engrener — in elkaar grijpen, koppelen - changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - faire aller — omzetten, overgooien[Hyper.]
bouton, commutateur, interrupteur — contact, schakelaar, schakelknop, stroomwisselaar, wisselaar - renversement - envers — achteruit - changement, rotation - contraire, inverse, opposé — antoniem, tegendeel - reversible (en)[Dérivé]
inverser, retourner — omdraaien, omkeren[Analogie]
faire marcher, mettre en marche, ouvrir — aandoen, aandraaien, aanknippen, aanzetten, inschakelen[Ant.]
industry (en)[Domaine]
TurningOnDevice (en)[Domaine]
ouvrir (verbe)
partage - coupeur — frees, snijinstrument, snijwerktuig - coupeur, sécateur, tailleur — coupeur, coupeuse, hakker, snijder - disséquer, ouvrir — afbreken, ontleden, openknippen, opensnijden[Dérivé]
dissection — ontleding, sectie[Dérivé]
ouvrir (verbe)
changer, modifier — overgaan - attacher, enfoncer, fixer, fixer du regard — beleggen, vangen, vastleggen, vastmaken, vastzetten, vestigen, zetten[Hyper.]
detachment, disengagement (en) - écluse, fermeture, percuteur, serrure — slot - locker (en)[Dérivé]
effectuer — blokkeren - ouvrir - déverrouiller, ouvrir — ontsluiten[Ant.]
ouvrir (verbe)
se fermer[Classe]
factotum (en)[Domaine]
starts (en)[Domaine]
Maneuver (en)[Domaine]
sociology (en)[Domaine]
Declaring (en)[Domaine]
démarrer, partir — aangaan - appareil, cérémonial, cérémonie, ensemble des principes qui règlent les cérémonies. — ceremonie, ceremonieel, plechtigheid[Hyper.]
commencement, début, départ — aanzet - commencement, début, départ — start - nouveau venu, nouvel arrivant, nouvelle arrivante, nouvelle venue — feut, neofiet, neomist, nieuwkomer, noviet, starter - débutant, débutante, nouveau, nouvelle, novice — beginneling, beginner, broekje, debutant, groene, groentje, melkmuil, nieuweling, nieuwkomer, novice, vlasbaard - commencement, début — aanvang, aanvangstijd, begin, beginperiode, opmaat - ouvrir - ouvrir — openen - ouvrir — openstellen - inaugural, préliminaire — inleidend, openend - clôture, fermeture — buitengebruikstelling, opheffing, sluiting - closer (en) - clôture, conclusion — besluit, finale, slot, slotstuk[Dérivé]
commencer — beginnen[Domaine]
ouvrir (verbe)
factotum (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
changer, modifier — overgaan - attacher, enfoncer, fixer, fixer du regard — beleggen, vangen, vastleggen, vastmaken, vastzetten, vestigen, zetten[Hyper.]
inauguration, ouverture — ontsluiting, opening - ouverture — opening - ouvre-boîtes — opener - opener, undoer, unfastener, untier (en) - écluse, fermeture, percuteur, serrure — slot - locker (en)[Dérivé]
ouvrir, s'ouvrir — ontsluiten, open doen, openen, opengaan[Cause]
enfermer, mettre dehors — afsluiten, dichtdoen, dichten, dichtmaken, toedoen - ouvrir - déverrouiller, ouvrir — ontsluiten[Ant.]
ouvrir (verbe)
mettre à l'extérieur de[Classe...]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
dépaqueter, ouvrir — openmaken, uitpakken - délier, dénouer, détacher — afbinden, losbinden, losknopen, ontstrikken - défaire — losmaken - détacher — losmaken - ouvrir — ontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, opendoen, open doen, openen, openmaken, openvouwen, openzetten, uitvouwen - déshabillé, négligé, peignoir, robe de chambre — adresband, duster, kamerjas, negligé, négligé, niemendalletje, wikkel - papier d'emballage — schildpadverband, verpakkingsmateriaal, zwachtel - châle — adresband, omslagdoek, plaid, reisdeken, wikkel - emballage — couverture, cover, emballage, kaft, omslag, pakmateriaal, verpakking, verpakkingsmateriaal[Dérivé]
couvrir — afdekken, bedekken, behangen, omsluieren, overdekken[Ant.]
afdekken[Hyper.]
opener, undoer, unfastener, untier (en)[Dérivé]
emballer, empaqueter, envelopper — inpakken, pakken, verpakken[Ant.]
ouvrir (verbe)