Advertising ▲
|
Results Summary
translations
synonyms
semantic net
anagrams
crosswords
conjugation
example
Ebay
catalog
|
duizelen, hompelen, maaien, reel, schutteren, slingeren, strompelen, wankelen, wiebelen
s'affaiblir (personne)[Classe]
trembler (personnes)[Classe]
se mettre en position penchée — zich buigen[Classe]
aller vers le bas brutalement, tomber — (smak; valpartij; tuimeling; dodensprong; salto mortale)[Thème]
vaciller en menaçant de tomber[Classe]
chanceler (v. intr.)
[V]
se déplacer, se mouvoir — bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - démarche — gang, tred - tangage — stampen[Hyper.]
aller à pied, aller à pinces, marche — loop, met de benenwagen gaan, te voet gaan - marche, promenade — hardloopwedstrijd, loop, tippel, wandeling - allée, chemin de grande randonnée, passage pour piétons — wandelpad, wandelweg - démarche — gang - piéton, piétonne — loper, voetganger, voetgangster, wandelaar - chanceler, trébucher — hompelen, schutteren, strompelen - chanceler, tituber — duizelen, wankelen - patauger, peiner, tituber — spartelen, wankelen - bercer, cahoter, se balancer — afzwaaien, hobbelen, rammelen, rocken, schudden, slingeren, zwieren - rock, sway (en) - balancer, osciller, se balancer, vaciller — oscilleren, schommelen, slingeren, wiegen, zwaaien, zwieren - incliner, mettre en biais, pencher — geren, glooien, kantelen, omrollen, wentelen - ballotter — wankelen - pencher, s'incliner — geren, glooien, hellen, knikken, overhangen, overhellen, overslaan, uitwijken, vissen - bumpy, jolting, jolty, jumpy, rocky, rough (en) - dandiner, se dandiner, tituber, trottiner — roeien, schuddebollen, waggelen[Dérivé]
marcher, se promener — in . lopen - conduire — lopen - accompagner, escorter - aflopen, in... lopen - faire un pas, marcher — afstappen, banjeren, stappen, stiefelen - marcher — in . lopen[Domaine]
marcher, marcher à pied, promener — gaan, lopen, treden, wandelen[Hyper.]
allure chancelante, allure titubante — struikeling - balancement, penchement sur le coté — het slingeren, rectie, regering - reeler, staggerer, totterer (en)[Dérivé]
chanceler (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - agitation — onrust, opschudding[Hyper.]
geste, mouvement — beweging, mechaniek - chanceler, remuer — wiebelen - bercer, cahoter, se balancer — afzwaaien, hobbelen, rammelen, rocken, schudden, slingeren, zwieren - agiter, secouer — afschudden, agiteren, drillen, in beweging brengen, rammelen, schudden - [ remuer la queue ], remuer — kwispelen, kwispelstaarten, met de staart kwispelen, schudden[Dérivé]
arrêter — hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
bouger, changer de position[Hyper.]
frétillement, remuement, secousse — het schudden, kwispeling, wiebeling[Dérivé]
chanceler (v. intr.)
transport (en)[Domaine]
Translocation (en)[Domaine]
déplacement, flux, jeu, mouvement — beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - locomotion, motricité — motoriek, voortbewegen, voortbeweging - locomotion, motricité — motoriek - marche, mouvement — beweging - changement de lieu, déplacement - voyageur — reiziger - mover (en) - locomoteur, locomotif — bewegings-[Dérivé]
bouger, déplacer — bewegen, verplaatsen, verroeren[Domaine]
tenir en place[Ant.]
chanceler (v. intr.)
se déplacer, se mouvoir — bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen - démarche — gang, tred[Hyper.]
aller à pied, aller à pinces, marche — loop, met de benenwagen gaan, te voet gaan - marche, promenade — hardloopwedstrijd, loop, tippel, wandeling - allée, chemin de grande randonnée, passage pour piétons — wandelpad, wandelweg - démarche — gang - piéton, piétonne — loper, voetganger, voetgangster, wandelaar - chanceler, trébucher — hompelen, schutteren, strompelen - chanceler, tituber — duizelen, wankelen - patauger, peiner, tituber — spartelen, wankelen[Dérivé]
marcher, se promener — in . lopen - conduire — lopen - accompagner, escorter - aflopen, in... lopen - faire un pas, marcher — afstappen, banjeren, stappen, stiefelen - marcher — in . lopen[Domaine]
chanceler (v. intr.)
produire des mouvements répétés[Classe]
bouger d'arrière en avant — zwaaien - geste, mouvement — beweging, mechaniek[Hyper.]
balancement, mouvement oscillatoire, oscillation — oscillatie, schommel, schommelbeweging, slinger, slingerbeweging, slingering, zwaai, zwiep, zwier - balancement, penchement sur le coté — het slingeren, rectie, regering - swinger (en) - chanceler, vaciller — maaien - fluctuate, vacillate, waver (en) - trembloter, voltiger — bewegen, blikkeren, flakkeren, flikkeren, knipperen, schemeren - foncer, se précipiter, voleter, voltiger — fladderen, rondfladderen, schieten, waaien - vaciller — wankelen[Dérivé]
vacillement[Dérivé]
chanceler (v. intr.)
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - voorwerp - marche, mouvement — beweging[Hyper.]
geste, mouvement — beweging, mechaniek - avancer en zigzag, chanceler, tituber — wankelen - ballotter — wankelen - bancal, branlant, vacillant — gammel, wankel[Dérivé]
arrêter — hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
bouger, changer de position[Hyper.]
vibreur — weifelaar - tremblement, vacillation — afwijking[Dérivé]
chanceler (v. intr.)
bouger d'arrière en avant — zwaaien[Hyper.]
frétillement, remuement, secousse — het schudden, kwispeling, wiebeling - balancement, penchement sur le coté — het slingeren, rectie, regering - berçante, berceuse, chaise à bascule, chaise berçante, fauteuil à bascule, rocking-chair — schommelstoel - domination, influence, pouvoir — heerschappij, rectie, regering[Dérivé]
rock, sway (en)[Domaine]
chanceler (verbe)
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
BodyMotion (en)[Domaine]
building_industry (en)[Domaine]
Artifact (en)[Domaine]
changer — gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - jouet, joujou — speelgoed, speeltje, speeltuig[Hyper.]
geste, mouvement — beweging, mechaniek - chanceler, tituber, vaciller — wankelen - balancer, basculer, osciller — schommelen, wippen - wippen[Dérivé]
arrêter — hangen, hechten, staan, stilstaan, stilzitten, stoppen, vastliggen, vastzitten[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
bouger, changer de position[Hyper.]
bascule — wip, wipwap[Dérivé]
chanceler (verbe)