Advertising ▲
|
Results Summary
translations
synonyms
semantic net
anagrams
crosswords
example
Ebay
catalog
|
aandrijven, afdraaien, afspelen, bestieren, besturen, draaien, lopen, managen, opereren, werken
handelen, handelend optreden, opereren, optreden, te werk gaan
opereren (geneeskunde;medicijnen)
een uitwerking hebben, effect hebben, effect sorteren, effekt hebben, effekt sorteren, ingaan, uitwerking hebben, van kracht worden
↘ actif, agent, effectuable, inopérable, opérable, opérant, réopérer ↗ acte, action, opération chirurgicale
accomplir une action[Classe...]
factotum (en)[Domaine]
Process (en)[Domaine]
changer, modifier — overgaan[Hyper.]
produire un effet, une influence — uitwerken; inwerken op; invloed hebben op; invloed uitoefenen op[Classe]
opérer (v. intr.)
[V • V+contre+comp • V+sur+comp]
faire qqch, avoir une activité[Classe...]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
acte, action, haut fait — actie, daad, handeling, verrichting[Hyper.]
agir, entrer en action, prendre des mesures — doen, handelen, optreden, tussenkomen[Dérivé]
opérer (v. intr.)
[V]
s'occuper de rétablir la santé de qqn[Classe]
opération chirurgicale — operatie; chirurgie; heelkunde; praktijkruimte; spreekuur[ClasseHyper.]
anatomie — (lichaamsbouw; ontleedkunde; anatomie)[termes liés]
medicine (en)[Domaine]
Surgery (en)[Domaine]
acte médical - thérapeutique, thérapie, traitement — behandeling, behandelwijze, geneesmethode, geneeswijze, terapie, therapie[Hyper.]
opérer — aandrijven, opereren - operative, surgical (en)[Dérivé]
opérer (chirurgie) — opereren[ClasseHyper.]
opération, opération chirurgicale — chirurgie, heelkunde, operatie, praktijkruimte, spreekuur[GenV+comp]
opérer (v. tr.)
[V+comp]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
commerce (en)[Domaine]
Corporation (en)[Domaine]
Position (en)[Domaine]
prendre en charge, s'occuper de, s'y prendre avec — behandelen, bestieren, besturen, managen, zorgen - activité, occupation — actief, activiteit, aktiviteit, bedrijvigheid, bezigheid, drukte, occupatie, werking, werkzaamheden, werkzaamheid - activité commerciale - gestion — adm., administratie, regulatie - homme/femme d'affaires, homme d'affaires — zakenman[Hyper.]
chef d'entreprise, directeur, directrice, guide, réalisateur, trice — bedrijfsleider, beheerder, bestuurder, dir., directeur, dirk, gerant, manager, regisseur - direct — besturend, leidend, regelend - manœuvrer — bedienen, besturen, sturen - enclencher, engager, engrenner, s'engrener — in elkaar grijpen, koppelen - marcher, opérer, rouler, travailler — afdraaien, afspelen, bestieren, besturen, draaien, lopen, managen[Dérivé]
agir, entrer en action, prendre des mesures — doen, handelen, optreden, tussenkomen[Cause]
factotum (en)[Domaine]
Guiding (en)[Domaine]
conduire, diriger, gérer — leiden, regisseren[Hyper.]
fonctionnement, marche — werking - opération - running (en) - exploitant — computeroperator, operator, procesoperator[Dérivé]
opérer (verbe)
opération chirurgicale — operatie; chirurgie; heelkunde; praktijkruimte; spreekuur[ClasseHyper.]
anatomie — (lichaamsbouw; ontleedkunde; anatomie)[termes liés]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
medicine (en)[Domaine]
TherapeuticProcess (en)[Domaine]
Surgery (en)[Domaine]
Position (en)[Domaine]
acte médical - learned profession (en)[Hyper.]
thérapeutique, thérapie, traitement — behandeling, behandelwijze, geneesmethode, geneeswijze, terapie, therapie - opérer — aandrijven, opereren - operative, surgical (en) - opération, opération chirurgicale — chirurgie, heelkunde, operatie, praktijkruimte, spreekuur - traiter - médical — dokters-, geneeskundig, medisch[Dérivé]
chirurgie — chirurgie, heelkunde, spreekuur - médecine — medicijnen[Domaine]
médical[Ant.]
surgery (en)[Domaine]
Surgery (en)[Domaine]
s'occuper de, soigner, traiter — behandelen, oppassen, verzorgen[Hyper.]
opération, opération chirurgicale — chirurgie, heelkunde, operatie, praktijkruimte, spreekuur - operative, surgical (en)[Dérivé]
médecine — artsenij, artsenijleer, geneeskunde, geneeskunst, medicijn, medicijnen[Domaine]
opérer (verbe)