Advertising ▲
|
Results Summary
translations
synonyms
semantic net
anagrams
crosswords
example
Ebay
catalog
|
eisen, gebieden, kosten, met zich meebrengen, navragen, nodig hebben, nodig hebbend, noodzaken, staan, vereisen, vergen
(faire) devenir autre une propriété[Classe...]
obligatoire[Classe]
dont l'usage est, ou peut être, avantageux[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Necessity (en)[Domaine]
essentiel, exigence, nécessité, rudiments — eis, hoofdzaak, iets noodzakelijks, levensbehoefte, vereiste, vordering - absolument, nécessairement — nodig, noodzakelijk - chose nécessaire, nécessité — behoefte, necessiteit, nood, noodzaak, noodzakelijkheid, onvermijdelijkheid, urgentie[Dérivé]
nécessaire — benodigd, nodig, noodzakelijk[Rendre+Attrib.]
nécessiter (v. tr.)
[vieux]
[V+comp]
avoir besoin de[Classe]
nécessiter (v. tr.)
[philosophie]
[V+comp]
ce qui est exigé (de nat., prat., vie soc.) — vereiste; vordering; eis; levensbehoefte; hoofdzaak; iets noodzakelijks[ClasseHyper.]
manque[Classe]
racine ILC[Domaine]
racine SUMO[Domaine]
factotum (en)[Domaine]
Ordering (en)[Domaine]
NormativeAttribute (en)[Domaine]
needs (en)[Domaine]
Necessity (en)[Domaine]
Removing (en)[Domaine]
aansprakelijkheid, responsabiliteit, verantwoordelijkheid, verantwoording - chose — iets - entité — eenheid, entiteit - essentiel, exigence, nécessité, rudiments — eis, hoofdzaak, iets noodzakelijks, levensbehoefte, vereiste, vordering - condition, état, statut — gesteldheid, hoedanigheid, staat, standing, status, voorwaarde - besoin, demande, misère — behoefte, vraag[Hyper.]
exiger — verwachten - demander, exiger, impliquer, nécessiter, prendre, réclamer, rendre nécessaire — eisen, gebieden, kosten, navragen, nodig hebbend, noodzaken, staan, vereisen, vergen - avoir besoin de, exiger, falloir, falloir que — behoefte, behoeven, disfunctioneren, hoeven, mankeren, nodig hebben, schelen, vereisen - nécessaire — benodigd, nodig, noodzakelijk - essentiel — volstrekt noodzakelijk - requis — vereist - indigent, nécessiteux, sans ressources — behoeftig, behoevend, berooid, hulpbehoevend, nooddruftig, noodlijdend, onvermogend - manquer — derven, missen, ontberen - inutile — nutteloos, onnodig, overbodig, zinloos - prévention[Dérivé]
arrêter et piller, détourner, détourner un avion — eisen, gijzelen, hijacken, kapen, verdonkeremanen, verduisteren, vereisen, vergen, vergen van, verlangen, vorderen - exiger — eisen, vereisen[Nominalisation]
se débarrasser — bevrijden, bevrijden van[Analogie]
question secondaire, superflu — bijkomstig, bijkomstigheid, bijzaak[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
needs (en)[Domaine]
besoin, exigence — behoefte, eis, plicht, vereiste - essentiel, nécessité, rudiments — hoofdzaak, iets noodzakelijks, levensbehoefte, vordering - manque — schaarsheid - misère - chose nécessaire — necessiteit, nood, noodzaak, noodzakelijkheid, onvermijdelijkheid, urgentie[Dérivé]
emporter, prendre — vergen[Domaine]
éliminer — uitloten[Ant.]
nécessiter (verbe)